goto top

Gedicht van de week


kies een weeknr

10 09 08 07 06 05 04


weeknummer : 10

1945




Op wat legerauto’s na lege wegen,
waanzinnig veel vis in de meren,
de grootste stilte ooit gemeten
in Overijssels kop en ergens moesten
nog frontlijnen lopen en landschappen zijn,
steden en deelstaten die bleven zweren.
Aan de Beulaker gingen we – vijf jongens,
vier meisjes – met een bus eierpoeder
en één pakje Craven-A kamperen.

De boer melkte te vroeg, te laat
en Hirosjima was nog niet gedaan.
Niets zou de zwanebloemen, het riet
of ons en de aanhalige wilgen
nog naar het leven willen staan.
Punters vervoerden strobalen
of net zulke rustige mensen.
Een meisje kon hier alleen Ineke heten;
ze stak ’s avonds eendeveren
in haar haar en fluitekruid.
In de hooizolder perste zich dan
steeds meer nacht en ze bestond.
Verder dat ontzag dat het hield
en niet begaf. Hoe kon er na al die oorlog
zoveel boter en brood zijn en bruid?
De scholen begonnen. We schreven elkaar.
Haar inkt was paars en haar spelfouten
waren groter dan haar borsten.
Ik handelde ernaar. Ik dacht wat
zeker een half leven kostte: dat geluk
de onnozelen treft, de meisjes en de hansworsten.
Ed Leeflang (1929-2008)



weeknummer : 09

Westerbork



O Westerbork, O Westerbork,
Je was nog kort gele’en
In Drente een vergeten dorp:
Nu kent je iedereen.
Veel gingen er naar Westerbork
Te werken in het veld,
Maar wat er kwam ná Westerbork
Heeft niemand nog verteld.

Vanmorgen zag ik een transport,
Vannacht droom ik er van,
Omdat ik dit, hoe oud ik word,
Nooit meer vergeten kan.
Want op het Amsterdamsch station
Zag ik vanmorgen vroeg
Dat de politie langs ’t perron
Menschen als beesten joeg.

En ik zag midden in die troep
die strompelde en viel,
een man, die in een dekentje
een heel klein kindje hield....
Zoo gingen zij naar Westerbork
En dit weet ieder wel:
Achter de hei van Westerbork
Ligt enkel nog de hel.

Toen, door dit dekentje van blauw
Dacht ik opeens weer aan
Mijn buurman, aan zijn kind en vrouw,
En hoe zij moesten gaan:
Zij werden naar het kamp gebracht,
Toen het nog pas begon,
Zij moesten midden in de nacht
Zich melden aan ’t station.

Zij wisten nog niet hoe dat was
Het was pas in ’t begin.
Zij liepen nog met zak en tasch
En alles zat er in:
Papier, een inktpot en een pen,
En trui voor weer en wind,
Werklaarzen, vitamines en
Wat speelgoed voor het kind...
Dat kleine kind, het was voor mij
Het liefste wat ik zag,
Want altijd als hij langs kwam, zei
Hij lachend mij g’n dag.
En toe dien nacht zich achter hem
De deur sloot met een slag.
Hoorde ik nog zijn ijle stem
Door ’t donker roepen: Dàg!

Ter wille van dit kleine lam,
Zijn lach, zijn lief gezicht,
Zij stemmetje dat afscheid nam,
Heb ik dit lied gedicht
Hij ging ook mee naar Westerbork
Nu is ’t of hij mij roept:
“Om wat ik leed in Westerbork,
Moet Hitler zijn vervloekt!”


Jacobse, Muus, (ps. van Klaas Hanzen Heeroma)




weeknummer : 08

Een bom van heel dichtbij klinkt als een zucht




Een bom van heel dichtbij klinkt als een zucht
Dan, in de kelder waar wij zaten, lucht
van puin. De rode muur achter de trap
vertoonde een spleet. Er was vanaf een schap
een weckfles op mijn moeders jurk gevallen,
een open fles vol sap. Nog klonk het knallen
van bommen verderop. Van Egteren liep
de trap op langs de rode muur en riep
met verbijstering dichtgeknepen strot:
‘Godverdomme! Het hele hoes is vot!’

Geen van ons had die voltreffer gehoord
die ons toch op een haar na had vermoord.
Daarna heb ik zo menige oorlogsnacht
met buren in die kelder doorgebracht,
vijftien À twintig mensen zaten daar
bij jankend luchtalarm, in doodgevaar,
maar het was zaak dat men zijn angst bedwong:
er waren kinderen bij. Dus Vennink zong
‘Es geht alles vorüber...’ Oostfrontlied
‘Die zoeken voedsel en ze vinden ’t niet,’
zei hij, ‘want tot oneindig ver in ’t land
hebben de Russen zelf alles verbrand
wat eten, warmte of genezing geven kan.
Ja laat ze maar verhongeren, man voor man.’

Na deze woorden hoorden we ’t gerucht
van vliegtuigen, wel heel hoog in de lucht.
‘Ze gaan alweer naar huis,’ zei vader blij,
‘ook deze bange nacht is weer voorbij.’




Willem Wilmink
10 oktober 1943



weeknummer : 07

DODENMARS VOOR ROTERDAM


(Aan Gerard Zalsman)


Ik waag mij haast niet in die straat
waar gloeiend puin in 't donker staat.
De wind loeit om een bouwvaltop,
een schelle vlam schiet suizend op,
belichtend als in spotternij,
de resten van wat huisgerei.
Hier vond wie daaglijks nam en gaf
een ruw en eindloos massagraf.
Het werk van hersens, hand en lust
is even grondig uitgeblust.

Ik wend mij naar de waterkant.
De schepen liggen leeggebrand.
Het water, d' eeuwenoude baan,
voert bloed en roet naar d' oceaan.
Daar staat de dood nog op de brug,
een zwarte schaduw, recht van rug.
Och broeders, hij bleef ongedeerd
terwijl uw schim hier langs marcheert.
Links, rechts...

Maar als die stad weer is herbouwd
van staal en glas en steen en hout,
die kleine wereld is hersteld,
bolwerk van koopwaar, zee en geld,
als er gewerkt weer wordt op de as
van wie voor kort hier werkend was _
Dan zullen nog bij nieuwe maan
uw schimmen door de straten gaan.
Links, rechts...


Clara Eggink



weeknummer : 06

De laatste brief





De wereld scheen vol lichtere geluiden
En een soldaat sliep op zijn overjas
Hij droomde lachend dat het vrede was
Omdat in zijn droom een klok ging luiden.

Er viel een vogel die geen vogel was
Niet ver van hem tussen de kruiden
En hij werd niet meer wakker want het gras
Werd rood, een ieder weet wat dat beduidde.

Het regende en woei. Toen het herbegon
Achter de grijze lijn der horizon
Het bulderen – goedmoedig – der kanonnen

Maar uit zijn jas, terwijl hij liggen bleef
Bevrijdde zich het laatste wat hij schreef
Liefste, de oorlog is nog niet begonnen.


Bertus Aafjes



weeknummer : 05

Oorlog





Terwijl het verhaal wil dat het verteld en
voorbij is - maar het breekt af

zeker, het is mij verteld en verteld
maar nog

ik zie die grijze beduimelde foto
maar nog is het gras weer groener dan gras
en de bloesems weer witter dan bloesem

in die grijze tuin moet het oorlog zijn geweest
in die man, in die vrouw, dat kind
in dat grijze gras onder die grijs bloeiende boom

het is mij verteld en verteld hoe zij daar
hadden moeten verdwijnen, worden weggevoerd
in de goederentreinen, nooit terugkomen

terwijl het verhaal wil dat het verteld en
voorbij is - maar het breekt af

zeker, het is mij verteld en verteld
hoe vrede wederkeerde

maar nog is er geen andere foto dan deze
waarin het nog moet


Rutger Kopland
uit: 'Tot het ons loslaat' 1997.



weeknummer : 04

Ben Ali Libi







Op een lijst van artieste, in de oorlog vermoord,
staat een naam, waarvan ik nog nooit had gehoord,
dus keek ik er met verwondering naar:
Ben Ali Libi. Goochelaar

Met een lach en met een smoes en een goocheldoos
en een alibi dat-ie zorgvuldig koos,
scharrelde hij de kost bij elkaar:
Ben Ali Libi, de goochelaar

Toen vonden de vrienden van de Weduwe Rost
dat Nederland nodig moest worden verlost
van het wereldwijd joods-bolsjewistisch gevaar.
Ze bedoelden natuurlijk die goochelaar.

Wie zo dikwijls een duif of een bloem had verstopt,
kon zichzelf niet verstoppen, toen er hard werd geklopt.
Er stond al een overvalwagen klaar
voor Ben Ali Libi, de goochelaar.

In ’t concentratiekamp heeft hij misschien
zijn aardigste trucs nog wel eens laten zien
met een lach en een smoes, een misleidend gebaar,
Ben Ali Libi, de goochelaar.

Voor Ben Ali Libi, de kleine schlemiel?
Hij ruste in vrede, God hebbe zijn ziel.



Willem Wilmink


Contact gegevens:
email:

project
@75jaarvrijheidalphenaandenrijn.nl